Evolutie van PC’s: kast en voeding

Evolutie van de PCHet is al langer dan 25 jaar geleden dat IBM de eerste IBM-PC maakte. Hoe zat dat nou, 25 jaar geleden, bijvoorbeeld met de kast en de voeding?

Uit de serie: „opa vertelt”.

Voeding

Mijn allereerste PC was van Philips. Het was een enorme bak en die had een voeding van 100 Watt. In die tijd was dat veel: de 8-bits hobbycomputers daarvóór gebruikten maar zo’n 10 tot 20 Watt.

Snel daarna volgden de clonen en die hadden meestal een voeding van ongeveer 230 Watt. Sommigen misschien iets meer (235 Watt of 250 Watt), maar niemand vond dat belangrijk want 230 Watt was voor praktisch iedereen ruim voldoende.

Energieverspilling

Tegenwoordig is 400 à 500 Watt normaal voor een computervoeding. Dat moet zoveel zijn omdat een microprocessor tegenwoordig al meer dan 30 Watt aan afvalwarmte produceert, een Pentium 4 zelfs 80 Watt en sommige processoren zelfs nog meer. Over energieverspilling gesproken…

Over energieverspilling gesproken: het rendement van voedingen in het algemeen is niet zo hoog. Als vuistregel voor het rendement van een kleine voeding hanteer ik 50%, dus bijvoorbeeld als de onderdelen van een computer 250 Watt gebruiken, dan haalt de voeding daarvoor 500 Watt uit het stopcontact.

Bij de zware voedingen van tegenwoordig geeft de fabrikant een hoger rendement aan, bijvoorbeeld 80%. Maar let op: dat rendement haalt de voeding alleen bij een bepaalde optimale belasting. Dus een moderne computervoeding zoals je die in een zware „gaming” PC zou kunnen vinden, zal op momenten dat de computer bijna niets doet toch al meer dan 100 Watt aan afvalwarmte produceren. Van die stroom zouden meerdere energiezuinige computers kunnen draaien.

Kast

Tot ongeveer 10 jaar geleden kocht je de voeding bijna altijd samen met de kast, want dat was goedkoop: er was nauwelijks prijsverschil tussen een losse voeding aan de ene kant, of een complete „minitower” met diezelfde voeding al ingebouwd aan de andere kant.

Hoe de kast er uit zag was vonden de meeste hobbyisten niet zo belangrijk; als je maar al je harddisks in de kast kon vastschroeven dan was het goed genoeg. De randen van het blik van zo’n goedkope kast waren vaak scherp, dus je moest goed opletten met monteren en/of een doos pleisters klaarzetten.

Er waren in Nederland al wel een paar importeurs voor mooie en net afgewerkte kasten, maar die waren erg veel duurder (minstens dubbel zo duur), dus die kocht bijna niemand.

Knoppen en slot

De reset-knop op de kast was vaak extra klein en moeilijk bereikbaar gemaakt, dan kon je hem zeker niet per ongeluk indrukken. De aan/uit-knop was vaak juist extra groot want dat was handig natuurlijk.

De oorspronkelijke IBM AT 286 had een turbo-knop (om de computer te vertragen) en een toetsenbord-slot. Clone kasten namen dat over en hadden zelfs ruim na 1990 nog een turbo-knop en een toetsenbord-slot.

Ook diskettebakken hadden meestal een slot dat open ging met de sleutels van zo’n beetje alle andere diskettebakken of met een paperclip.

Het slot was alleen bedoeld voor het toetsenbord: de kast zelf kon dus gewoon open en je kon dan bijvoorbeeld de draadjes van dat slot gewoon losmaken. Maar dat hoefde niet eens, want het slot ging open met zo’n beetje elke willekeurige sleutel of een paperclip.

Sommige kasten hadden verder nog een 2-cijferig LED snelheidsdisplay, je moest met jumpertjes zelf instellen welke getallen daarop zichtbaar werden (afhankelijk van de stand van de turbo knop). Soms kon je ook kiezen voor „HI” en „LO”.

Vertel jouw mening

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s